naar homepage tenzij al ingelogd

Bouwkundig detailleren: meterkast.


meterkast tekeningen

Meterkast

Formeel heet de meterkast tegenwoordig meterruimte. De reden hiervoor is dat de tegenwoordige meterkast eigenlijk geen kast meer is en er ook niet meer zo uitziet.

De meterkast is de technische ruimte in een woning/pand waar diverse meters zijn opgesteld. De meterkast bevindt zich meestal in de nabijheid van de voordeur en dient toegankelijk te zijn voor het regelmatig uitlezen van de meters en herstellen van stroomtoevoer bij kortsluiting.

In de meterkast komen de volgende leveringen binnen en kunnen de volgende verbruiksmeters aanwezig zijn:

  • aardgas (gasverbruikmeter);
  • drinkwater (watermeter);
  • elektriciteit (kilowattuurmeter);
  • elektrische aarding;
  • stadsverwarming;
  • CAI;
  • telefoon.
  • De meterkast heeft (minimale) standaardafmetingen en moet afsluitbaar zijn.
    De achterwand van de meterkast moet bestaan uit makkelijk schroef- en spijkerbaar materiaal.
    Doordat de inrichting van een meterkast bepaald is, wordt bij nieuwbouw veelal gebruikgemaakt van een meterkastvloerplaat. Deze vloerplaat is bestemd voor het bevestigen van invoerbochten in meterkasten. De fixeerringen zijn geplaatst volgens een door de nutsbedrijven vastgelegd stramien.
    De zogenaamde standaard meterkast is gemaakt volgens de in het bouwbesluit 2003 genoemde NEN 2768 en heeft de afmetingen 2100 x 750 x 310 mm.

    Uitwerking voorschriften meterruimte

    In afdeling 4.12 van het Bouwbesluit 2003 zijn de voorschriften voor een meterruimte gegeven. Die
  • voorschriften hebben betrekking op: Aanwezigheid van de meterruimte.
  • De afmetingen, indeling en leidingdoorvoeren.
  • De positionering in het gebouw.
  • De regenwerendheid.
  • Het normblad NEN 2768 van 1998 is, voor Afdeling 4.12. Meterruimte, nieuwbouw van het Bouwbesluit 2003 , als basis genomen.
    tabel 4.65

    Artikel 4.65 stuurartikel (lid 1, 2 en 3)
    1) Een te bouwen bouwwerk waarin zich een voorziening voor elektriciteit, gas, drinkwater of verwarming bevindt, heeft een meterruimte waarin de centrale schakel-, verdeel- en meetapparatuur voor die voorziening kan worden geplaatst.
    2) Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.65 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
    3) Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.65 geen voorschrift is aangewezen.

    Artikel 4.66 aanwezigheid (lid 1 en 2)
    1) Een gebruiksfunctie met een voorziening voor elektriciteit, gas, drinkwater of verwarming, die een aansluitmogelijkheid heeft op het desbetreffende openbare net, heeft een al dan niet gemeenschappelijke meterruimte.
    2) Onverminderd het eerste lid, heeft een woonfunctie met een gemeenschappelijke voorziening voor elektriciteit, gas, drinkwater of verwarming, een gemeenschappelijke meterruimte.

    Artikel 4.67 afmetingen (lid 1, 2 en 3)
    1) Een meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, eerste lid, heeft afmetingen en een indeling, die voldoen aan NEN 2768.
    2) Een gemeenschappelijke meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, tweede lid, heeft afmetingen en een indeling die zijn afgestemd op de in de meterruimte te plaatsen apparatuur.
    3) Een meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, eerste lid, heeft afmeting, en een indeling, die zijn afgestemd op de in de meterruimte te plaatsen apparatuur.

    Artikel 4.69 regenwerendheid
    1)De uitwendige scheidingsconstructie van een meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, is, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend.

    De overige onderdelen van het normblad NEN 2768, voor zover van uit de genoemde onderdelen niet aangestuurd, hebben dus alleen een functie als in een privaatrechtelijke overeenkomst daarnaar is verwezen.

    Bij de indeling van de meterruimte moet, ondanks het feit dat het Bouwbesluit 2003 daartoe niet langer voorschriften kent, wel er voor worden zorggedragen dat de voorziening voor telecommunicatiesignalen op een bepaalde plaats in de meterruimte wordt opgenomen.

    Aanwezigheid (uit Brismagazine nr 2003-8 art. Voorschriften meterruimten gewijzigd)
    Elke gebruiksfunctie met een voorziening voor elektriciteit, gas, drinkwater of verwarming, voorzover aangesloten op een publieke voorziening, zoals stadsverwarming, die een aansluitmogelijkheid heeft op het desbetreffende openbare net, heeft een al dan niet gemeenschappelijke, afsluitbare meterruimte.
    Dit betekent dat zodra elektriciteit is voorgeschreven via NEN 1010 waarnaar het Bouwbesluit 2003 verwijst, er een meterruimte moet zijn.
    Een garage of bergruimte bij een woning, zijnde beide een overige gebruiksfunctie, moeten dus een meterruimte hebben. In de praktijk betekent dit dat de meterruimte van een woning met garage een gemeenschappelijke meterruimte is waarbij de meterruimte zowel is gelegen in de woonfunctie als in de overige gebruiksfunctie. Op zo'n meterruimte zijn dan ook de voorschriften van alle afdelingen van het Bouwbesluit 2003 van toepassing die gelden voor een woonfunctie en een "overige gebruiksfunctie". Dit kan tot onbedoelde effecten leiden. Hebben we bijvoorbeeld van doen met een bedrijfswoning (woning, kantoor en garage met slechts één meterruimte, geprojecteerd in de woning), dan gelden tussen de meterruimte en de ruimten van de woning de eisen die gelden tussen een ruimte van een kantoorfunctie en de ruimten van een woonfunctie (afdeling 3.5 van het Bouwbesluit 2003). Dat leidt tot een eis van 0 dB aan karakteristieke isolatie-index vanuit de meterruimte naar een verblijfsgebied van een woning en een eis van -5 dB naar een besloten ruimte van de woning, niet gelegen in een verblijfsgebied. Dat kan de bedoeling niet zijn van de besluitwetgever. Zulke eisen gelden niet bij een nevenfunctie.

    Ook bij woonfuncties met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m² mag in een woongebouw nu worden volstaan met een gemeenschappelijke meterruimte. Niet langer zijn dus individuele meterruimten voorgeschreven voor de afzonderlijke woningen in een woongebouw.

    Artikel 4.65 in verbinding met artikel 4.66, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003 dwingt er toe dat naast de meterruimten voor de woningen, die al dan niet als gemeenschappelijke meterruimte is uitgevoerd, het woongebouw nog beschikt over een tweede, centrale gemeenschappelijke meterruimte. Deze meterruimte "bedient" bijvoorbeeld de verlichting van de gemeenschappelijke verkeersruimten en de liften. In die meterruimte komt ook de hoofdaansluitleiding binnen van gas, water en elektra die later in het gebouw wordt gesplitst naar de verschillende woonfuncties.

    Positionering (uit Brismagazine nr 2003-8 art. Voorschriften meterruimten gewijzigd)
    De plaats waar de meterruimte in een bouwplan wordt gesitueerd, is in beginsel vrij. Wel zijn er enige spelregels die in acht moeten worden genomen.
    De meterruimte moet altijd in de gebruiksfunctie zijn gelegen. Daarbij zijn er overigens drie plaatsingsmogelijkheden:

  • Binnen de groep van niet-gemeenschappelijke ruimten van de gebruiksfunctie welke ruimten alle met elkaar in verbinding staan.
    Bijvoorbeeld een meterruimte binnen een woning.
  • Uitgeplaatst.

  • De meterruimte wordt bijvoorbeeld gesitueerd in een bijgebouw, zoals een buitenberging of een garage, welk bijgebouw nevenfunctie is. Dat deel van de garage is dan tevens aan te merken als de hoofdfunctie, waarvoor dan ook de voorschriften van de hoofdfunctie gelden.
  • De meterruimte is een gemeenschappelijke meterruimte waarop verschillende, al dan niet met dezelfde benaming aangeduide, gebruiksfuncties zijn aangewezen.
  • De spelregels die in acht moeten zijn genomen zijn:

  • De deur van de meterruimte mag bij een woning niet grenzen aan een verblijfsruimte, toilet- of badruimte. Dit dwingt om bij situering in de woning om ter plaatste van de toegang van de woonfunctie een entreeportaal te maken.
  • Bij situering in de woning mag de loopafstand naar de meterruimte niet groter zijn dan 3 m. De reden hierachter is de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals dat in artikel 50, derde lid, van het oude Bouwbesluit werd gesteld. Wordt de meterruimte in een bijgebouw gesitueerd, dan geldt er geen afstandseis. De afstand van het aansluitpunt voor de dienstleiding van het nutsbedrijf kan wel van invloed zijn op de aansluitkosten.
  • Bij de keuze voor een gemeenschappelijke meterruimte in een woongebouw moet de meterruimte uitsluitend via gemeenschappelijke verkeersruimten zijn te bereiken vanaf een toegang van het woongebouw. Het is dus niet noodzakelijk dat de meterruimte vanuit de woning via gemeenschappelijke verkeersruimten kan worden bereikt. De gemeenschappelijke meterruimte mag dan ook in de fietsenstalling of garage worden opgenomen, die bijvoorbeeld slechts via de buitenlucht kan worden betreden.
  • Regenwerendheid (uit Brismagazine nr 2003-8 art. Voorschriften meterruimten gewijzigd) Vanuit oogpunt van arbeidsveiligheid mag er geen water op de vloer van een meterruimte aanwezig zijn als gevolg van een regenbui, hagel- of sneeuwbui. De omhullingsconstructie van de meterruimte moet daarvoor zorgdragen.

    Aansluitvoorwaarden en brandweereisen (uit Brismagazine nr 2003-8 art. Voorschriften meterruimten gewijzigd) Rest nog de vraag of nutsbedrijven en brandweer aanvullende of afwijkende eisen mogen stellen. De artikelen 123 en 151 van de Woningwet zijn daarover duidelijk. De mogelijkheid is er niet. Zolang is voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit 2003, zal een nutsbedrijf in aansluiting op het openbare net moeten zorgdragen. Een nutsbedrijf kan dan ook niet afdwingen dat aan de gehele inhoud van NEN 2768 is voldaan. Ook kan een brandweer een in de garage gesitueerde meterruimte niet verbieden.
    klik hier om naar boven te gaan


    naar homepage tenzij al ingelogd