De meterkast is de technische ruimte in een woning/pand waar diverse meters zijn opgesteld. De meterkast bevindt zich meestal in de nabijheid van de voordeur en dient toegankelijk te zijn voor het regelmatig uitlezen van de meters en herstellen van stroomtoevoer bij kortsluiting.
In de meterkast komen de volgende leveringen binnen en kunnen de volgende verbruiksmeters aanwezig zijn:
De meterkast heeft (minimale) standaardafmetingen en moet afsluitbaar zijn.
De achterwand van de meterkast moet bestaan uit makkelijk schroef- en spijkerbaar materiaal.
Doordat de inrichting van een meterkast bepaald is, wordt bij nieuwbouw veelal gebruikgemaakt van een meterkastvloerplaat. Deze vloerplaat is bestemd voor het bevestigen van invoerbochten in meterkasten. De fixeerringen zijn geplaatst volgens een door de nutsbedrijven vastgelegd stramien.
De zogenaamde standaard meterkast is gemaakt volgens de in het bouwbesluit 2003 genoemde NEN 2768 en heeft de afmetingen 2100 x 750 x 310 mm.
Het normblad NEN 2768 van 1998 is, voor Afdeling 4.12. Meterruimte, nieuwbouw van het Bouwbesluit 2003 , als basis genomen.
Artikel 4.65 stuurartikel (lid 1, 2 en 3)
1) Een te bouwen bouwwerk waarin zich een voorziening voor elektriciteit, gas, drinkwater of verwarming bevindt, heeft een meterruimte waarin de centrale schakel-, verdeel- en meetapparatuur voor die voorziening kan worden geplaatst.
2) Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.65 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3) Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.65 geen voorschrift is aangewezen.
Artikel 4.66 aanwezigheid (lid 1 en 2)
1) Een gebruiksfunctie met een voorziening voor elektriciteit, gas, drinkwater of verwarming, die een aansluitmogelijkheid heeft op het desbetreffende openbare net, heeft een al dan niet gemeenschappelijke meterruimte.
2) Onverminderd het eerste lid, heeft een woonfunctie met een gemeenschappelijke voorziening voor elektriciteit, gas, drinkwater of verwarming, een gemeenschappelijke meterruimte.
Artikel 4.67 afmetingen (lid 1, 2 en 3)
1) Een meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, eerste lid, heeft afmetingen en een indeling, die voldoen aan NEN 2768.
2) Een gemeenschappelijke meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, tweede lid, heeft afmetingen en een indeling die zijn afgestemd op de in de meterruimte te plaatsen apparatuur.
3) Een meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, eerste lid, heeft afmeting, en een indeling, die zijn afgestemd op de in de meterruimte te plaatsen apparatuur.
Artikel 4.69 regenwerendheid
1)De uitwendige scheidingsconstructie van een meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, is, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend.
De overige onderdelen van het normblad NEN 2768, voor zover van uit de genoemde onderdelen niet aangestuurd, hebben dus alleen een functie als in een privaatrechtelijke overeenkomst daarnaar is verwezen.
Bij de indeling van de meterruimte moet, ondanks het feit dat het Bouwbesluit 2003 daartoe niet langer voorschriften kent, wel er voor worden zorggedragen dat de voorziening voor telecommunicatiesignalen op een bepaalde plaats in de meterruimte wordt opgenomen.
Aanwezigheid (uit Brismagazine nr 2003-8 art. Voorschriften meterruimten gewijzigd)
Elke gebruiksfunctie met een voorziening voor elektriciteit, gas, drinkwater of verwarming, voorzover aangesloten op een publieke voorziening, zoals stadsverwarming, die een aansluitmogelijkheid heeft op het desbetreffende openbare net, heeft een al dan niet gemeenschappelijke, afsluitbare meterruimte.
Dit betekent dat zodra elektriciteit is voorgeschreven via NEN 1010 waarnaar het Bouwbesluit 2003 verwijst, er een meterruimte moet zijn.
Een garage of bergruimte bij een woning, zijnde beide een overige gebruiksfunctie, moeten dus een meterruimte hebben. In de praktijk betekent dit dat de meterruimte van een woning met garage een gemeenschappelijke meterruimte is waarbij de meterruimte zowel is gelegen in de woonfunctie als in de overige gebruiksfunctie. Op zo'n meterruimte zijn dan ook de voorschriften van alle afdelingen van het Bouwbesluit 2003 van toepassing die gelden voor een woonfunctie en een "overige gebruiksfunctie".
Dit kan tot onbedoelde effecten leiden. Hebben we bijvoorbeeld van doen met een bedrijfswoning (woning, kantoor en garage met slechts één meterruimte, geprojecteerd in de woning), dan gelden tussen de meterruimte en de ruimten van de woning de eisen die gelden tussen een ruimte van een kantoorfunctie en de ruimten van een woonfunctie (afdeling 3.5 van het Bouwbesluit 2003). Dat leidt tot een eis van 0 dB aan karakteristieke isolatie-index vanuit de meterruimte naar een verblijfsgebied van een woning en een eis van -5 dB naar een besloten ruimte van de woning, niet gelegen in een verblijfsgebied. Dat kan de bedoeling niet zijn van de besluitwetgever. Zulke eisen gelden niet bij een nevenfunctie.
Ook bij woonfuncties met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m² mag in een woongebouw nu worden volstaan met een gemeenschappelijke meterruimte. Niet langer zijn dus individuele meterruimten voorgeschreven voor de afzonderlijke woningen in een woongebouw.
Artikel 4.65 in verbinding met artikel 4.66, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003 dwingt er toe dat naast de meterruimten voor de woningen, die al dan niet als gemeenschappelijke meterruimte is uitgevoerd, het woongebouw nog beschikt over een tweede, centrale gemeenschappelijke meterruimte. Deze meterruimte "bedient" bijvoorbeeld de verlichting van de gemeenschappelijke verkeersruimten en de liften. In die meterruimte komt ook de hoofdaansluitleiding binnen van gas, water en elektra die later in het gebouw wordt gesplitst naar de verschillende woonfuncties.
Positionering (uit Brismagazine nr 2003-8 art. Voorschriften meterruimten gewijzigd)
De plaats waar de meterruimte in een bouwplan wordt gesitueerd, is in beginsel vrij. Wel zijn er enige spelregels die in acht moeten worden genomen.
De meterruimte moet altijd in de gebruiksfunctie zijn gelegen. Daarbij zijn er overigens drie plaatsingsmogelijkheden:
De spelregels die in acht moeten zijn genomen zijn:
Regenwerendheid (uit Brismagazine nr 2003-8 art. Voorschriften meterruimten gewijzigd) Vanuit oogpunt van arbeidsveiligheid mag er geen water op de vloer van een meterruimte aanwezig zijn als gevolg van een regenbui, hagel- of sneeuwbui. De omhullingsconstructie van de meterruimte moet daarvoor zorgdragen.
Aansluitvoorwaarden en brandweereisen (uit Brismagazine nr 2003-8 art. Voorschriften meterruimten gewijzigd)
Rest nog de vraag of nutsbedrijven en brandweer aanvullende of afwijkende eisen mogen stellen. De artikelen 123 en 151 van de Woningwet zijn daarover duidelijk. De mogelijkheid is er niet. Zolang is voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit 2003, zal een nutsbedrijf in aansluiting op het openbare net moeten zorgdragen. Een nutsbedrijf kan dan ook niet afdwingen dat aan de gehele inhoud van NEN 2768 is voldaan.
Ook kan een brandweer een in de garage gesitueerde meterruimte niet verbieden.
