Bouwkundig detailleren voor tekenaar en ontwerper:

Glas in het verleden.

Voor de volgende onderwerpen ga naar:

algemeen;
het vervaardigen van;

kostbaaar daglicht;



 

Algemeen:

Glas bestaat voornamelijk uit kwartszand dat onder hoge temperatuur wordt gesmolten. De te gebruiken grondstoffen bepalen in hoge mate de helderheid van het glas. Potas geeft het glas een grotere hardheid en een hogere glans, doch potas is als smeltmiddel minder krachtig dan soda.
Voor fijn glaswerk zoals kristal gebruikt men potas en loodmenie. Kristal is minder hard dan glas waarin kalk is gebruikt.
Om glas te kleuren maakt men gebruik van oxiden,
kobaltoxide geeft een blauwe kleur,
koperoxide wordt gebruikt voor purperrood en lichtblauw,
mangaanperoxide voor paars,
houtskool, zwavel en antimoon voor geel,
goud voor robijnrood,
etc.

Arsenicum en mangaan vormen de ontkleurende elementen en geven het glas een grote helderheid.

Daar de prijzen van diverse oxiden nogal prijzig zijn maakt men thans ook glas bestaande uit een dun laagje gekleurd glas op blank glas.
klik hier om naar boven te gaan


 

Het vervaardigen van:

bron leidraad tekst:  interieurcursus LOI (1977)

De kunst van het vervaardigen van glas is al heel oud.
De muurversieringen van de oude Egyptenaren tonen ons al voorstellingen van smeltovens en blaaspijpen voor de bewerking van glas.

Van Egypte uit verplaatste deze techniek zích naar Fenicië.
(vroeger meer bekend als Phoenicië. Dit was de naam voor de regio aan de oostelijke kust van de Middellandse Zee. (thans Libanon en Syrië))
En van Fenicië verplaatste de glassierkunst zich daarna naar Griekenland en Italië, waar zij in de eerste eeuwen van de Romeinse keizertijd haar hoogste bloei bereikte. De techniek om verschillende gekleurde glasmengsels tot één massa te versmelten en onderliggende lagen door slijpen bloot te leggen (de techniek van het millefiori- en het filigrainglas) is hier ontstaan.

Na de val van het Romeinse Rijk verplaatste de glastechniek zich naar Byzantium , waar men het reeds bereikte in stand hield en daarnaast het glasmozaïek voor wand- en vloerversiering tot bloei bracht.
(Byzantium was tot het jaar 330 de naam van de stad aan de Bosporus die daarna Constantinopel en tegenwoordig Istanboel heet.)


Terwijl men in de middeleeuwen in het zuiden de kunst van het glasmozaïek beoefende legde men zich in het noorden toe op het vervaardigen van het gebrandschilderd (venster)glas. In de derde eeuw na Christus begon men de kerkramen te beglazen door het inzetten van kleine ronde glasschijven. Deze methode handhaafde men tot de 7de eeuw.
In Frankrijk ontwikkelden zich hieruit de bekende schijven vensters, waarvan de toepassing in de 14de eeuw zo sterk toenam, dat men een aantal glasfabrieken moest oprichten.
Tijdens de regering van Lodewijk XIV voorzag men de ramen van roeden en kruizen, hetgeen het einde betekende van de ronde ruiten.
Vanaf de middeleeuwen kwam het gebruik van glas en lood in onze streek, met de techniek van toen, ook hier op gang. Aanvankelijk blies men alle ruiten ( zie extra ), maar in 1688 ging men, met behulp van een techniek die werd uitgevonden door Thévart en vervolmaakt door De Néhou, er in Frankrijk toe over grotere ruiten te gieten.

Hoewel glas reeds heel vroeg bekend was (zoals uit het hier bovenstaande blijkt), was de toepassing daarvan nog lang niet algemeen. In de l8de eeuw voorzag men raamopeningen dan ook nog nog dikwijls van geolied perkament als een doorschijnende laag, welke aan beide zijden werden bespannen met gaas.
In de middeleeuwen was ook van deze materialen zelfs geen sprake en voorzag men de kleine raamopeningen van opengewerkte houten panelen, ajourbewerkte marmerplaten of soms van tapijten.

De niet stilstaande ontwikkelingen in de glasproductie maakten nieuwe vormen van bouwkunst mogelijk. Er konden namelijk steeds grotere openingen worden gedicht met glas.

bron vervolg leidraad tekst en afbeelding:  Jellema 1965

in 1913 vond Fourcalt de methode van glastrekken uit, hierdoor werd continu productie mogelijk. Na 1945 volgden andere verbeterde werkwijzen zoals het Pittsburg systeem en de Libbery-Owensmethode waarbij niet meer vertikaal maar horizontaal werd getrokken.

Het vervolg hierop:

zie   het onderdeel "Het hedendaagse glas" behorende bij dit onderdeel.

Vooral na de wederopbouw, halverwege de vorige eeuw, is men aan de beglazing uiteenlopende andere eisen gaan stellen.
Men wenste meer lichttoetreding en dus grotere glasoppervlakken. Dientengevolge moesten glasproducten worden ontwikkeld met een grotere mechanische sterkte en met een glad en vlak oppervlak waardoor geen vertekening ontstond.
Door deze grotere glasoppervlakken ontstond echter een onaanvaardbare opwarming van het inwendige van het gebouw. De glasindustrie loste dit probleem op door de ontwikkeling van warmte-absorberende en reflecterende beglazingen.
Grote warmteverliezen ging men tegen door meervoudige beglazingen toe te passen.

Door het toenemende verkeer ontstond een groeiende lawaai hinder; ook voor dit probleem bleek de meervoudige beglazing een nuttige functie te vervullen.
De grotere onveiligheid - denk aan explosiegevaar, gewapende overvallen en inbraak - bespoedigde de ontwikkeling van glasproducten met een grote mechanische sterkte.

  Jellema 1965

klik hier om naar boven te gaan


 

Kostbaar daglicht:

Wat de bouw betreft, had het glas eeuwenlang als voornaamste functie het toelaten van daglicht in de woning.

Hoewel er vanaf het begin ook wel gekleurd glas kon worden gemaakt was blank glas vaak praktischer.
Vooral bij kastelen zie je hoe de vensters met dit soort ruitjes zorgen voor een mooie lichtopbrengst.
Zittend op de vensterbank om te lezen, te handwerken of naar buiten te kijken, onder het raam in de zaal (want zo noem je zo'n grote leefruimte) maakten de bewoners van het kasteel optimaal gebruik van het daglicht, aangezien het branden van kaarsen of olielampen kostbaar was.

noot!
Oorspronkelijk was de vensterbank dus bedoeld als een echte zitplaats. Thans worden vensterbanken vrijwel uitsluitend gebruikt voor de plaatsing van kamerplanten en decoraties en zijn het geliefde zitplaatsen voor katten en andere huisdieren. In de winter vaak vanwege de warmte van die plek direct boven de radiator.

 
Nadat vanaf de elfde eeuw gekleurd glas in lood in zwang kwam werden kleine stukjes gekleurd glas samengevoegd tot een mozaiek.
Vooral kerken maakten hier in eerste instantie, met bijbelse taferelen waardoor het licht prachtig naar binnen viel, gebruik van. Het kleuren van dit glas gebeurde aanvankelijk door toevoeging van de bij het subonderwerp "Algemeen" genoemde mineralen.

Zie voor de "bescherming van dit glas in lood" de pdf "Restauratie en beheer" (info 41) van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg de verwijzingen naar externe sites van derden.
 

 

Daarna kwam later de brandschilderkunst waarbij met speciale glasverven een afbeelding op het glas geschilderd werd. Waarna na het drogen van de verf deze werd ingebrand in de glasoven.

Eigenaren van kastelen lieten daarna soms hun familiewapen of andere kleurige kunstuitingen verwerken in hun ramen.
 

 

Wat in de middeleeuwen dus begon als lichtdoorlatende bescherming tegen het weer ontwikkelde zich daarna dus steeds meer tot een kunstvorm.

 

 

Bouwkundig detailleren voor tekenaar en ontwerper:
dd: 24-05-2026 tekst afkomstig uit het hedendaaagse glas

 

 
klik hier om naar boven te gaan


 

 

 extra informatie behorende bij:
Het vervaardigen van:
klik hier om naar boven te gaan

Geblazen vensterglas:

De grondstoffen voor de glasbereiding maalt men tot poeder en dit smelt men bij een temperatuur van 1800 tot 2000 °C in vuurvaste kroezen met een inhoud van 50 kg gesmolten glas. De glasmassa is dan na zekere tijd dik vloeibaar als stroop.
De verwerking geschiedt met de blaaspijp, een werktuig dat door a1le eeuwen heen bijna geen verandering heeft ondergaan.

Voor de fabricage van geblazen vensterglas kan men volgens twee methoden werken, nl:
  -  de schijvenmethode;
  -  en de cilindermethode.

De eerste, thans niet meer toegepaste methode bestond uit het blazen van een bol, die men op een bepaald moment aan de onderzijde opensneed, waarna door snel ronddraaíen van de pijp een ronde schijf ontstond met een middellijn van soms wel  1,20 m. Dergelijk glas is niet altijd even vlak, maar het heeft een hoge glans. Een groot nadeel is, dat men bij het snijden van rechthoekige ruiten vee1 afval heeft.

Een nieuwere werkwijze is de cilindermethode, door Duitse glasblazers uit her Zwarte Woud ingevoerd ín 1727. Hierbij liet men de zachte glasbol minder snel draaien, waardoor deze uitzakte tot een peervormig lichaam. Door de bereikte peervorm vervolgens deels te blijven draaien en deels te rol1en ontstond een cilindervorm met gesloten uiteinden.
Als de cilinder zijn juiste vorm en grootte had bereikt, verwijderde men de uiteinden door deze met een druppel water van de cilinder te laten afspringen. Verder sneed men de cilinder in de lengterichting open. De inmiddels al wat afgekoelde cilínder legde men daarna op een metalen plaat om hem in een oven zo lang te verhitten, dat het glas weer week werd en de cilinder zich door zijn eigen gewicht tot een vlakke plaat uitspreidde. Hierna streek men de plaat met een íjzer nog vlak en gIad.
klik hier om naar boven te gaan